de MOON recenseert #3
Boekrecensie Alexandrië, het verhaal van een stad die leeft in het verleden
Auteurs: Jilles Wassink en Niek Engelhart
Datum: december 2025
Trefwoorden: Alexandrië, kosmopolitisch, recensie, oriëntalisme, Eduard Cousin
“[Alexandrië is] als een levenslijn: als zij wordt doorgeknipt, dan vallen mijn werelden uit elkaar. Daarom gaat Alexandrië me zo aan het hart.” (p. 18)
Wanneer er een boek over het Nabije Oosten gepresenteerd wordt, gaan onze gedachten al snel terug naar een lange traditie van Europese schrijvers die hun rondreis door het Osmaanse Rijk optekenden voor het thuispubliek. Dit fenomeen kwam op, en werd razend populair, na de inval van Napoleon in Egypte. Hij had de halve Franse academie voor oudheid met zich meegenomen en zij haalde haar hart op aan het grote scala aan schatten dat – vaak – letterlijk voor het oprapen lag. Een vaak gemaakte grap, tegenwoordig, is dat de Piramides enkel nog in Egypte staan, omdat ze niet op de Europese schepen pasten.
Niet alleen het materiële werd verscheept. De reisverslagen zorgden ervoor dat ook de cultuur naar Europa werd gehaald, maar niet voordat die werd geïnterpreteerd, beschreven en toegeëigend door de reizigers. Edward Said schreef er in de twintigste eeuw over dat Europeanen en het Westen ‘Oriëntalistisch’ zijn, dat wil zeggen: wij zien de Oriënt als per definitie ‘anders’ dan onszelf. Zij zijn conservatief, wij zijn liberaal. Zij zijn sensueel, wij hebben moraliteit.
Eduard Cousin is zich bewust van deze tegenstellingen die in de vele reisverslagen over de Oriënt geschreven zijn. In zijn boek Alexandrië, het verhaal van een stad die leeft in het verleden gaat hij op zoek naar de ware identiteit van Alexandrië, een stad met een rijke en veelbezongen geschiedenis die al menig reiziger tot schrijven heeft aangezet. Hij nestelt zijn zoektocht in die van de vele reizigers die hem zijn voorgegaan. Zo noemt hij de Britse auteur E. M. Forster, die in de Eerste Wereldoorlog Alexandrië: Een geschiedenis en een gids schreef, maar ook de Griekse dichter Konstantinos Kavafis, auteur van onder andere de gedichten Ithaka en Wachten op de barbaren. Hun boeken en verhalen hebben het beeld geschapen dat Cousin heeft van Alexandrië. Een kosmopolitische stad met een eeuwenoude geschiedenis. Maar wat is er over van deze geschiedenis en dit kosmopolitische idee in het Alexandrië van vandaag?
“Ik wil laten zien hoe de identiteit van de stad, vroeger en nu, verweven is met een veronderstelde strijd tussen ‘Oost’ en ‘West’, of, anders gesteld, een strijd tussen koloniale en antikoloniale machten, en hoe deze identiteit op de proef wordt gesteld door de grote uitdagingen van de eenentwintigste eeuw.” (p. 29)
Cousin schrijft dit boek vooral om de kijk op Alexandrië, die hij zelf ook heeft, te bevragen. Hij bevraagt niet alleen de kijk die wij - in het Westen - hebben, maar ook de kijk die Alexandrijnen zelf hebben op hun stad. Cousin gaat voor het boek, maar vooral ook voor zichzelf, vaak naar Alexandrië. Vanuit zijn woonplaats Caïro met de trein, of vanuit het vakantiehuis van zijn Caïreense familie aan de noordkust met de microbus. In Alexandrië wandelt Cousin dan, via de Profeet Danielstraat, over de Corniche, langs de Middellandse Zee. Hij gaat op bezoek bij activisten, kunstenaars, de Griekse gemeenschap en een sportschoolhouder. De gemene deler onder hen allen is het verlangen naar het kosmopolitische verleden van de stad, toen men nog Grieks, Italiaans en Arabisch door elkaar hoorde. Maar wanneer dit verleden begon en vooral ook wanneer het ophield is voor niemand echt duidelijk. Wat wel duidelijk is, is dat kosmopolitisch Alexandrië niet langer bestaat. In plaats daarvan is het volgens hen overspoeld door migranten uit de Delta of – nog erger – uit Opper-Egypte. Italianen en Grieken hebben het land verlaten, en van de ooit grote Joodse gemeenschap is al helemaal niets meer over. Zij die zich dit kunnen herinneren verlangen nostalgisch terug naar de tijd voor Nasser, of de tijd voor de Tweede Wereldoorlog, of de tijd van de negentiende eeuw.
Het nostalgische, dat volgens Cousin ook in de Europese literatuur doorsijpelt, vervult de harten van de Alexandrijnen, zo lijkt het op het eerste gezicht. Maar al snel bevraagt Cousin dit. Zelfs in de hoogtijdagen van kosmopolitisch Alexandrië – wanneer dat ook geweest moge zijn – bestond het overgrote merendeel van de stad uit Egyptenaren. Toen er ooit Grieks, Italiaans en Arabisch naast elkaar werd gesproken in de trams, bestond de stad nog steeds voor 80 of 90 procent uit Egyptenaren. Die hadden echter geen enkele connectie met Zuid-Europa, behalve misschien dat ze graag de oversteek ernaar toe zouden willen maken. Cousin ziet dit, en ziet de problematiek hiervan in.
Het symbolische eindpunt van die verhalen is te vinden naast de nieuwe bibliotheek van Alexandrië. Deze bibliotheek, ontworpen door Noren, gebouwd met Europees geld, en gevuld met Franse boeken, had het symbool moeten zijn voor de connectie die steden langs de kust van de Middellandse Zee met elkaar hebben en voor de uitwisseling van mensen en ideeën die duizenden jaren over het water heeft plaatsgevonden. Al deze elementen worden gesymboliseerd in een brug die van de bibliotheek, over de Corniche, in de zee moest eindigen. Maar zo ver is het niet gekomen. In plaats daarvan eindigt de brug nu, onafgemaakt, voor de Corniche. Cousin zelf ziet de symboliek: ‘[d]e verbinding van Alexandrië en Egypte haalt de zee niet; de “brug tussen culturen” stuit op een harde grens. En ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat dit de grens is van Fort Europa, die Alexandrië en Egypte afsnijdt van de zee. Egyptenaren die de grens proberen over te steken, die proberen de brug tussen culturen te bewandelen, sterven in zinkende bootjes’ (p. 132).
“Proclamaties als ‘westerse waarden’ of ‘international rechtsorde’ hebben aan deze kant van de Middellandse Zee een gezicht: dat van een door Israëlische bommen gedood kind.” (p. 141).
Opvallend genoeg schuwt Cousin geen gevoelige thematiek in zijn poging om bruggen te slaan tussen het verleden en het heden, tussen Europese en Arabische narratieven. Zo laat hij zien hoe de aloude tweedeling tussen het ‘morele Westen’ en het ‘barbaarse Oosten’, die ook de Westerse blik op Alexandrië gevormd hebben, doorwerkt in de hedendaagse situatie in Gaza. Hij confronteert de lezer met verhalen uit de Arabische wereld die in het Westen ongehoord blijven, zoals dat van het Palestijnse jongetje Muhammed al-Durrah, wiens dood zich via televisieschermen door de Arabische wereld verspreidde, maar in het Westen geen ingang vond. Cousin stelt dat verbinding tussen deze werelden slechts mogelijk is wanneer hun perspectieven op gelijke hoogte worden gezet: ‘al mijn pogingen in dit boek om te “verbinden” zijn futiel zolang we in het Westen niet dezelfde waarde hechten aan een gedood Palestijns kind als aan een Israëlisch kind, […] zolang we het proces van dekolonisatie, het doorbreken van de verdeling van de wereld tussen een superieur Westen boven een inferieure rest, niet afmaken’ (p. 143).
Met zijn eerlijke, veelzijdige en soms kritische blik verrijkt het boek van Cousin de gevestigde narratieve traditie die al eeuwenlang de publieke perceptie van de stad Alexandrië vormt. Tegelijkertijd raakt Cousin aan bredere maatschappelijke thema’s zoals dekolonisatie, mondiale ongelijkheid en de teloorgang van cultureel erfgoed - lenzen die cruciaal zijn om een stad als Alexandrië, maar ook het Midden-Oosten in bredere zin, te begrijpen. Door ruimte te geven aan een veelvuldigheid aan stemmen, daagt Cousin de lezer uit om met een kritische houding contrasterende narratieven tegen elkaar af te wegen en met elkaar in gesprek te brengen. Maar bovenal vertelt Cousin het verhaal van een stad die, in al haar gelaagdheid en allure, voor menig reiziger, cultuurkenner, historicus of simpelweg wereldburger een bron van fascinatie blijft.
Auteursbiografiën
Jilles Wassink is Masterstudent Midden-Oostenstudies aan de Universiteit Leiden en Internationale Betrekkingen aan de VU. Zijn onderzoek is gericht op de plaats van (landen in) het Midden-Oosten in de huidige geopolitieke wereldorde.
Niek Engelhart is tweedejaars masterstudent Modern and Contemporary History aan de Universiteit Utrecht. Zijn onderzoek gaat over het Osmaanse Rijk in de negentiende eeuw en de betrekkingen tussen Europese landen en de Noord-Afrikaanse kust.